hans dingjan
schilder, tekenaar home afbeeldingen cv contact
hans dingjan, geboren te leiden op 22 mei 1947.
opleiding : rijksacademie van beeldende kunsten amsterdam
docent schilderen tekenen  academie voor beeldende kunsten ArteZ zwolle (1983-2010)    
opdracht stadgehoorzaal kampen.
vele portret opdrachten in particulieren verzamelingen.
aankopen voor theater joop van der ende.
tentoonstellingen o.a.: amsterdan, singermuseum laren, haarlem, heemskerk, bergen,uitgeest (1996) synagoge kampen (1990), den helder, finsterwolde synagoge kampen (2011).
Museum De Oude Wolden ( MOW) in Bellingwolde: 24K ( febr/mrt. 2016) en 24K XL (20mrt/5 juni)

hieronder de tekst die ik voor mijn catalogus voor de tentoonstelling "tot hier" in kampen geschreven heb.
de catalogus is bij mij te bestellen.

Tot hier

Ik hou van de matte huid van mijn harsolieverf.
Van de aarzelend gekleurde witten van een mens die weinig zont.
Van beeld waarin straks iets gaat gebeuren.
Van het dof zwartpaarse van een Groninger paard.
De vele kleuren van zand.
Van het verlegen wegkijken bij een moeilijke vraag.
Van gekleurde grijzen.
Van een neutraal soms zelfs meedogenloos licht.

Zo lang als ik me kan herinneren heb ik schilder willen worden.
Al vroeg was tekenen en later schilderen het enige wat ik echt de moeite waard vond.
Zelden heb ik mij toen afgevraagd wat de betekenis is van schilder zijn.
Ik wilde gewoon schilderen.
Mensen schilderen.

Natuurlijk bestaat er zo iets als een wereld van de schilderkunst en heb ik me daar toe moeten verhouden.
En neem ik kennis van wat onze voorgangers hebben gedaan, maar een plek in de hedendaagse kunsten heb ik niet geambieerd.
Een beetje aan de zijlijn daar voel ik me thuis.

Geen vernieuwer, geen uitvinder, maar wel iemand die zo goed mogelijk wil schilderen en groeien in wat hij zou willen schilderen.
Mede door het les geven heb ik me de vrijheid verworven om zo te bestaan en te doen wat ik wilde doen.
En dit kan ik, ook maatschappelijk, voor mijzelf verantwoorden.

Ik doe de dingen die ik doe omdat ik ze wil doen.
Omdat ik van schilderen hou om het schilderen zelf.
Om het kijken, het fenomeen van de kleur, de kracht van de vorm, het doek, de verf, de platheid versus de ruimte, kortom om het metier.

Niet alleen gaf het lesgeven mij de vrijheid om te schilderen maar ook veel ruimte om te leren.
Het dwong me steeds om scherp beeld te lezen, te formuleren en vragen te stellen.
Dus ook over mijn eigen werk.
Het zicht op, en de twijfels over, mijn eigen metier werden regelmatig gevoed door studenten telkens weer te bevragen over hun persoonlijke werkprocessen.
Die omgang met studenten in de kunst heeft me daardoor veel gegeven.

Mijn opleiding heb ik genoten op de Rijksacademie van beeldende kunsten te Amsterdam, lang geleden 1970 – 1974, toen dit een conservatief instituut was met vooral de waarneming als basis.
En waar het leren kijken en vertalen van wat voor je stond het enige was wat telde.
Met als uitgangspunten vooral de impressionisten: Manet, Monet, en hoofdzakelijk Cézanne, de man die je eigenlijk alles leert over hoe om te gaan met de kleur.

Andere, meer wezenlijke vragen werden niet of nauwelijks gesteld.
En die andere vragen, daar gaat het me om.
Waarom schilder ik? Wat vertel ik? En waarom zo?
Of nog meer;
Wat is toch die behoefte om juist dát te schilderen wat ik schilder?

Veel weet ik niet. Een paar trefwoorden wel.
Weemoed, schoonheid, melancholie, troost, jeugd, genot en vooral ontmoeten.
En dat steeds in wisselende volgordes, combinaties en accenten.

In alles wat ik probeer ben ik een gulzige kijker.
Even wil ik worden, zijn, wat ik zie.
Al spelend met de verf;
Zien, verbazen, herkennen, willen begrijpen, doordringen in, dit alles doormaken, en dan jezelf verrassen.
Dat is voor mij het genot van schilderen.

Als schilder met nog steeds een grote affiniteit met de waarneming leert de traditie en leren de oude meesters, Piero della Francesca, Vermeer, Rembrandt, Velásques, zelfs Matisse me, dat een schilderij toch ook en misschien wel vooral een constructie is.
Een product van de geest.
Dat niet zonder goed kijken kan.
Veel goede schilderijen worden achteraf ervaren als gewoon gezien beeld maar zijn toch vooral bij elkaar gedacht en geconstrueerd.
Zowel van inhoud als compositie.
Denken en zien of zien en denken maken het schilderen.

Ik ben geloof ik een portrettist.
Voor mij is een portrettist iemand die beeld maakt over zijn ontmoetingen met de ander.
Die onze kwetsbaarheden, sterktes, zwaktes, liefdes, kracht, leugens ‘schildert’.
Die verhalen zodanig verbeeldt dat ze niet alleen subjectief zijn, maar ons allen raken.
Die onhandig, hoog gegrepen pretentie daar lijkt het op.

Portret schilderen en vooral portrettekenen is enerverend.
Een altijd tot mislukken gedoemde samenvatting willen geven van wat je samen meemaakt, dat is wat er gebeurt als ik tegenover iemand plaatsneem, kijk, luister, praat en teken en schilder.
Dat wat ik zie, is altijd spannender, mooier, wezenlijker dan wat ik als schilder kan maken en toch...
Het is ontzettend boeiend om te doen.

De ontmoeting met de ander, -je model-, is nooit een vrijblijvende.
Als de mens, die bijna onbehoorlijk intens wordt bekeken, met dat bekeken worden iets terug doet, kan het een echte ontmoeting zijn.
Dat terug doen, reageren, is steeds weer anders, maar zeer bepalend voor het uiteindelijke beeld.

Die onhandige pretentie.
Bij elk portret is het begin open en gaandeweg ontdek je en vertaal je.
En al vertellend ontdek je.
Iets in de ander herkennen is voor mij noodzakelijk bij het maken van een portret.

Herkennen en je in de ander willen verplaatsen, bijna even de ander willen zijn.
Om meer dan het tijdelijke, het moment, te kunnen verbeelden.
Maar wat dat meer is, daar bestaat geen antwoord op.
Dat ervaar je pas achteraf.
Eigenlijk wil je iets van het leven zelf terug zien in je schilderij.

Een portret is pas echt goed als je zoals bij het portret van ’Rembrandt als Paulus’ dwars door de verf heen weer een echt mens ontmoet.
En bijna de neiging hebt er tegen te gaan praten.
Maar dat is van een zo onvoorstelbaar hoog niveau dat het een mooi streven blijft.

Mijn herinneringen worden vaak opgeroepen door een bepaald soort licht.
Elk schilderij, elk verhaal zou zijn eigen licht moeten hebben en daarmee zijn eigen atmosfeer en kleur.
Carravagio gebruikt het licht om zijn verhaal richting te geven, vooral door het
licht/donker.
Zo doe ik dat eigenlijk bijna nooit.
Ik zoek het soort licht waarin mijn verhaal het beste tot zijn recht komt door kleur en kleurklanken.

Vader en zoon lopend over het strand is een schilderij dat gaat over samen zijn en toch onbereikbaar zijn voor elkaar.
Als gebeurtenis.
Een vreemd licht hangt over dit beeld.
Het is als bij een overbelichte foto, het witte licht vreet de kleur maar ook alle contour weg, wat het verhaal des te schraler maakt.

Er is geen kleur die mijn liefde niet heeft.
Ik gebruik ze op alle mogelijke manieren, als bepaler van het licht, als duider van plastiek, als lokale kleur, als ruimte maar ook en vooral om de inhoudelijke toon te zoeken over wat ik wil ontdekken en vertellen.
Ik kies de kleur niet alleen om zijn schoonheid, maar als nodig, vals en schrijnend.

De aanleiding voor mijn meeste schilderijen is een gezien of beleefd beeld.
Dat geziene beeld, gebruik ik dan meestal in een andere context.
Persoonlijke belevenissen zijn als beeld vaak niet bruikbaar maar voorzien van een andere - of verwante, bredere betekenis wel.
Een beweging, een blik, een gebaar, een situatie, een aanraking kan al aanleiding genoeg zijn.
Op zich zonder betekenis.
Maar als startpunt noodzakelijk.

Voor het schilderen begint is er verveling, ergernis, en niks niet weten.
Rondlopen, ijsberen, de krant lezen, en lopen in de polder.
Het hoofd moet zo leeg als mogelijk.
Dan een vaag gegeven, een uitgangspunt.
Eerst tekenen, direct op het doek, figuren worden groter, kleiner, verplaatsen zich, draaien zich om en gaan hun verhouding aan...
Ze darren net zo lang tot ik denk, dit zou het kunnen zijn.
Ik teken tamelijk gedetailleerd, zoek hoe het licht valt, en bepaal de ruimtelijkheid.
Kleur en klank zijn nog lang niet bepaald...

Waar en hoe plaats ik mijn figuren, welke plek, welke maat, welke uit - of afsnede.
Dat bepaalt in belangrijke mate waar je je als maker en dus ook als toeschouwer bevindt ten opzichte van de figuren op het doek.
Bepaling van mijn eigen standpunt is ook het bepalen van het standpunt van de toeschouwer.
En daarmee ook zijn of haar betrokkenheid bij het beeldverhaal.

Naakt. Het licht, de huid, het staan, het kwetsbare zijn, naakt en niet bloot zijn, het zoeken naar de stand en taal van het lichaam.
Die stand vinden die zegt, wat eigenlijk onbenoembaar is.

Er is geen kwetsbaarder gegeven als het schilderen van een naakt.
Ik schilder nooit een naakt om het naakt, maar gebruik het niet gekleed zijn in mijn schilderijen als vanzelfsprekend onderdeel van wat ik wil zeggen en verbeelden.
Het naakt zijn is op zich geen onderwerp.

Kijkend naar de naakten bij Lucian Freud, zie je echte mensen echt bloot zijn. Onbeschermd bloot zijn, zo prachtig meedogenloos verbeeld dat het opnieuw schoonheid wordt.
Hij maakt je als kijker tot voyeur.
Bijna veroorzaker van de eenzaamheid en naaktheid van het model.
Een schuldig kijker.
Zo wreed mooi kan ik niet schilderen, zo bloot kan en wil ik niet schilderen.
Bloot is persoonlijk, eigen en kwetsbaar.
Zich bloot geven...
Mijn naakten zijn iets kunstmatiger, niet als portret van een specifiek naakt mens zoals bij Freud, maar onderdeel van een verhaal.
Over troost, trots, angst, verlegenheid, genot, afwijzing..., over gewone emoties.

Ik heb zelf veel naar model getekend en daar ook les in gegeven.
Er is geen onpersoonlijkere, afstandelijkere manier om een bloot mens bekijken, dan bij een les modeltekenen en toch heb ik er altijd naar gestreefd in het naaktmodel een mens te blijven zien.
Op het model betrokken zijn en er met gepaste afstand en respect mee omgaan.
Dát verbeelden.

Mijn naakten zij niet zo zeer naaktportretten als wel personen die staan voor bepaalde, soms zelfs tegenstrijdige emoties.
Ze hebben iets ongemakkelijks, ze staan voor mij los van de seksualiteit.
Ze nemen hun eigen lichamelijkheid nadrukkelijk mee.

Schilderen heeft iets dubbels.
Eerst poog je er zo dicht mogelijk in te staan, bij het onderwerp te komen en kort daarop neem je afstand.
Vaak letterlijk, maar ook figuurlijk en inhoudelijk.
Ik reflecteer, kijk en denkt en dan doe ik weer zonder het denken.
En dat vele malen achter elkaar.
Als ik merk dat het heel goed gaat stop ik en neem afstand.

En soms als ik mezelf zie schilderen dan is er onmiddellijk dat wantrouwen.
De behoefte zelf te sturen is vaak groter dan dat het schilderij stuurt.
Reageren op wat er op het schilderij gebeurt en wat het beeld oproept ook al is dat niet je uitgangspunt, is soms beter dan wat je bedenkt
Daarop vertrouwen is een mentaal gevecht.

Ontdekken tijdens het verbeelden en al vertellend ontdekken, zoeken, opnieuw definiëren, doorgronden en vooral verwonderen.
Maar ook grondig afkeuren wat ontstaan is.
En opnieuw proberen.
En soms het genot als er iets onder je handen in de verf verschijnt wat je slechts vermoeden kon maar nooit weten, dan is schilderen fantastisch.
Heb ik dat gemaakt?

Lastig is en blijft de vraag, hoeveel informatie geef ik mijn schilderij mee?
Ik wil met zo weinig mogelijk letterlijke gegevens toe.
Maar te weinig gaat ten koste van de leesbaarheid, en het beeld wordt cryptisch.
Te veel is vervelend en maakt een schilderij eenduidig.
Een schilderij met alleen informatie, zonder beleving, zonder het lezen tussen de regels, en zonder het spel met de verf, is nog geen schilderij.

Soms doe ik weken of maanden later nog rigoureuze ingrepen in een schilderij.
Uit onvrede met wat ik dan zie.
De enige oplossing is ingrijpen, veranderen of opnieuw schilderen.
Een schilderij moet streng zijn, bijna meedogenloos, terwijl je tijdens het werkproces zaken moet duiden en weer onderuit halen en de vraag blijven stellen of het wel klopt wat je beweert.

Voor mij is een goed schilderij vooral stil.
De handelingen mogen nooit meer zijn dan wat ze zijn, verstild en teruggebracht tot datgene wat ik denk dat de essentie van de gebeurtenis is.

Een schilderij is een constructie, soms van te voren uitgedacht en getoetst aan een werkelijkheid maar vaak al werkend gevonden.

Schone slaapsters. Het gegeven van oude mannen die zich warmen aan in slaap gebrachte jonge meisjes in het boek van Yasunari Kabawata, de Schone Slaapsters, vond en vind ik nog steeds een behoorlijk beladen en controversieel gegeven.

Oude mannen die vooral bezig zijn met herinnering.
Met troost en warmte zoeken bij...
En het verlies van seksualiteit en de hunkering naar intimiteit...
Op de rand van het onmogelijke om te verbeelden.
Zeker als je -zoals ik gedaan heb- mezelf in beeld breng

Zelden gebruik ik de kleur als platte kleur.
Ik meng altijd maar kleine beetjes kleur, ook als ik een groot vlak moet vullen zodat de kleur blijf lopen, bewegen haast.
Als de waarneming van het blauw in het zenith.
Dat zou ik nog eens willen maken...

Een schilderij is een nieuwe werkelijkheid in verf en kleur.
Ik hou van de kunstmatige ruimte waar mijn ook kunstmatige figuren zich in begeven.
Het is boeiend met dit gegeven extra te spelen door verschillende werkelijkheden over elkaar heen te leggen.
Zoals een schilderij in een schilderij.
Of te citeren uit eigen of andermans werk.
Het citeren is meer dan een spelletje, maar zo ontstaan er nieuwe lagen van vertellen door mijn hele werk heen en verbind ik het ene beeld met het andere.

Ik hoop dat je als toeschouwer steeds schakelt tussen twee dingen.
Het beeldverhaal en de verf.
Het genot van het schilderen moet altijd door alles heen zichtbaar blijven.

Kleur kies ik vaak in dienst van het schilderij of de inhoud daarvan.
Subjectief en soms los van de werkelijkheid.
De intensiteit van de kleur bepaalt meestal de hiërarchie in het beeld.
Het voor en achter, belangrijk of ondergeschikt.
Het lijkt me soms nodig dat een figuur op het tweede plan, zich door de kleurintensiteit opdringt en naar voren komt, waardoor het schilderij extra plat lijkt.
Wat een schilderij uiteindelijk ook is en hoort te zijn.

Piëta.Verlies in zijn algemeenheid, maar zeker het verlies van een dierbare volwassene of kind is zo’n universeel en tegelijk zo’n specifiek persoonlijk thema dat dit ook voor mij een onontkoombaar gegeven is geworden.
De piëta’s die ik maak zijn eigenlijk geen echte piëta’s meer, in de betekenis van de moeder die rouwt om haar gestorven kind.
Ze verbeelden veel meer verschillende vormen van afscheid nemen.

Bathseba, de vrouw die gedwongen wordt de onmogelijke keuze te maken tussen trouw zijn aan haar echtgenoot of gehoorzamen aan een bevel van koning David.
Naast de onmogelijkheid van het kiezen, blijft ook het gevoel begeerd te worden een belangrijke rol spelen.
Ergens in die dubbelheid moet mijn verhaal zich afspelen.
Twijfel en trots en eenzaamheid.

Verhalen als de annunciatie, Bathseba, piëta, de schone slaapsters zijn voor mij mooie gegevens om te schilderen over dat wat me altijd al heeft bezig gehouden.
Die momenten in het bestaan waar wij mensen het even niet meer weten en waar we kwetsbaar zijn.
Die kwetsbaarheid, dat fascineert me.
Juist omdat dat niet eenduidig te verbeelden valt.

Hans Dingjan
Finsterwolde augustus 2011